Ongelogen

6 mrt

Ik kom na het weekend weer op mijn werk en mijn collega vraagt “Fijn weekend gehad?”. Ik antwoord bijna met het reflexmatige “ja”, maar bij nader nadenken houd ik dat tegen. Ik had het best kunnen zeggen, natuurlijk, maar het zou een halve leugen geweest zijn. Liegen gaat mij niet fijn af.

Ik denk aan de regen die het hele weekend had aangehouden. Aan de kale bomen die er nog uitzien alsof ze niet weten dat ze bijna met de lente gaan beginnen. Ze sluimeren, half in winterslaap.
Ik denk aan het winkelcentrum in Utrecht waar we doorheen liepen op weg naar een reformwinkel. Een winkelcentrum waar de middelmatigheid, de wansmaak en de onverschilligheid mij altijd treurig maakt.

Ik denk aan de groenten zonder gif die we kochten voor een zieke moeder. Wat mij nog treuriger stemde want gifvrije groente zijn stoer, maar natuurlijk niet zo stoer dat ze in hun eentje doodzieke moeders kunnen genezen. Dat weet iedereen, wij ook terwijl we ze kochten en de moeder ook als zij ze eet.
Ik denk aan de wanhopige moeder die we zagen kronkelen in haar bed dat uitzicht bood op kale takken.

Aan de warme tranen van het kind van de moeder die ik op mijn wang en kussen voelde. En aan de kussen van het kind die de regen, de reformwinkel en de ziekte wel wat deden vergeten, maar die in hun eentje het weekend toch niet zomaar tot “fijn” konden omtoveren.

Ik zeg “Ja hoor” en dat is ongelogen.

Gedronken

28 feb

Ik was op het feestje van een vriend van mijn vriend die voor een jaar naar het buitenland vertrekt. Niet mijn vriend, die blijft, maar de vriend van mijn vriend gaat.

De vriend gaat naar San Diego, was leuk is want daar is een dierentuin met reuzenpanda’s die je kunt bekijken op de webcam. Tijdens het schrijven van een scriptie ooit, volgde ik dagelijks iedere zucht, glimp en schokschouder van een toen pasgeboren panda. Nu weet ik niet eens meer welke van de acht panda’s in San Diego Zoo dat was, ik denk Su Lin.

Op het feestje waren een man en vrouw of vijftien, er was house-achtige dance muziek en aan de muur hing een gewei met een lichtsnoer erin.
“Dat hert moest eens weten”, dacht ik “als dat een echt hert is geweest, dat zijn wapen, zijn trots hier nu als komisch kunstwerk aan de muur hangt.” Hoewel het hert misschien ook trots zou zijn op het tweede leven van zijn trots.

De vriend van mijn vriend vroeg wat ik wilde drinken en ik wilde witte wijn, maar hij had alleen rode “Het is winter hè” zei hij. Hij wees naar een houten kratje waarin acht flessen op hun zij lagen.
“Ze komen komen uit de wijnkelder van mijn oma die zij daar altijd in bewaarde toen ze nog leefde. Kies er maar een uit, ze moeten toch op.”

Op de fles die ik pakte lag een laag stof, het label was op sommige plekken van ouderdom vergaan. We wisten niet uit welk jaar de wijn kwam, op de plek waar het jaartal ooit stond was het papier versleten, maar de vriend van mijn vriend dacht dat hij uit 1983 kwam. “Bijna even oud als ik”, zei ik, wat waar is, want dat is bijna even oud als ik.

Ik weet zo weinig van wijn dat ik niet eens kon proeven of hij goed was. Voor mij smaakte bij ok, maar een kenner zou hem misschien wel exquise of misschien wel bocht hebben genoemd. We dronken hem uit kelken zo groot als soepkommen van zwart plastic. Het voelde koninklijk, ondanks het plastic.
‘De wijn uit de 17e eeuw’, wat zijn bijnaam werd, was snel op dus volgens mij was hij echt wel ok.

Bewonderd

26 aug

Ik sta helemaal achterin de Alpha op Lowlands en ik ben een beetje nerveus, nerveus omdat die jongens daar op dat grote podium staan en nerveus of ze die tent wel plat gespeeld krijgen. De jongens zijn Mumford & Sons.

Ik was bijna niet naar hun optreden gegaan. Ik heb namelijk nogal een zwak voor die ventjes. Die wil ik niet zien lijden en ik wil er niks negatiefs over horen. Maar dat is natuurlijk overdreven, daarom stond ik er uiteindelijk gewoon.

Mijn zwak ontstond een jaar geleden, hoewel ‘zwak’ eigenlijk te lafjes is: ik was op slag verliefd. Hun muziek snijdt recht naar binnen en ik krijg na 3 tonen kippenvel. Die lage stem van zanger Marcus Mumford doet dat, maar ook het meerstemmige gezang en de gevoelige-snaarinstrumenten die ze gebruiken.

Hun teksten zijn poëtisch en als taalmens ben ik daar een sucker voor. Ze zingen over ieders’ oergedachtes en -gevoelens, zoals angst en liefde. 85% van de liedjes gaat over liefde, maar Mumford & Sons durven zich kwetsbaar op te stellen door gedachten te verwoorden die bijna te eng voor woorden zijn. Zoals: ‘In these bodies we will live, in these bodies we will die‘ en ‘Oh tell me now, where was my fault in loving you with my whole heart‘.

Grappig genoeg is de muziek toch opgewekt. Er gaat kracht en hoop van hun teksten uit, bijvoorbeeld in: ‘And I’ll find strength in pain, and I will change my ways. I’ll know my name as it’s called again‘.
De muziek is een mix tussen stoer (en sexy) en gevoelig: mijn ultieme cocktail.

Kort nadat ik mijn zwak voor M&S had ontwikkeld, hoorde ik dat ze voor het eerst in Nederland zouden optreden. Daar moest ik bij zijn. Vriend G. wilde ook dus we gingen, naar Nijmegen of all places.

Het was een van de beste live-optredens die ik ooit zag. Het zaaltje was van voor tot achter volgestouwd en het publiek en Mumford & Sons deden dik een uur een wedstrijd in meest uitzinnig stampen, klappen en schreeuwen. Vriend G. en ik waren er zo door gegrepen dat we plotseling als Assepoesters poppodium ‘Doornroosje‘ moesten uitrennen om de laatste redelijk rechtstreekse trein te halen.

We haalden hem niet, al hadden we zo hard gerend als dat kon op cowboylaarzen, en terwijl we daarna zigzaggend door half Nederland terug naar Rotterdam treinden zeiden we “Die komen op Lowlands”.
En inderdaad, en laat het dan ook maar meteen in de grootste tent zijn.

Het is niet erg dat ik helemaal achterin de Alpha sta en dat we niet het hele optreden uitkijken. Ik ben trots en ik zie dat het goed is, want ze spelen de zaal plat en de mensen met wie ik ben hebben kippenvel.

Gelukt

4 aug

Ik sta op de pont die mij terugbrengt naar Amsterdam Centraal en ik kijk naar het westen. Naar de onderzeeboot die daar als een aangespoelde walvis uit het water steekt. Hij ligt er heel normaal te liggen, alsof het heel gewoon is dat duikboten hun uitgeputte lijven tegen kades laten rusten.

Ik kijk ook naar de IJ-kantine, een lunch/diner/drankje-drink gebouw aan de kade. Een maand of vier geleden nam ik deze pont voor het eerst om naar die kantine te gaan. De uitgeputte onderzeeboot zag ik toen ook voor het eerst. Het was voor een afspraak met de dames van Viva.nl en er was ook een klein meneertje-in-de-maak bij, toen nog veilig opgekruld in zijn moeders buik.

Het was in de laatste weken van mijn Viva-tijdperk, toen in die kantine, en kort daarna zou voor mij een heel onzekere periode aanbreken. Onzeker op geld gebied en op dat van mijn bestaan als freelance journalist, maar geldzorgen zijn als een parasiet blijkt want al snel voelde het alsof mijn hele leven aan alle kanten erodeerde.

Er kwamen een paar maanden waarin ik niet veel meer deed dan nadenken, hardlopen, socializen, af en toe een artikel schrijven en mediteren, want ja, ik doe dat.
En solliciteren, want mijn uit elkaar vallende bestaan maakte iets duidelijk: het was mooi geweest met het freelancen in mijn eentje, het was tijd om me bij anderen aan te sluiten. Bij mensen waar ik dingen van kan leren, waarmee ik samen over artikelen kan nadenken, die mij kunnen inspireren en ik hen. Het was tijd voor dynamiek en iets nieuws.

Vanaf de pont terug naar het station heb ik uitkijk over een kale vlakte achter de IJ-kantine. Aan de rand van de vlakte staat een gloednieuw gebouw van 7 verdiepingen hoog. Ik kijk naar de 6e verdieping, waar de redactie van mijn nieuwe werkgever zit. Want het is gelukt, met dat solliciteren en het vinden van iets nieuws. Vanaf nu ga ik deze pont langs de onderzeeër heel vaak nemen om dynamische dingen met collega’s te doen.

Geliefd

25 jul

Ik ga van liefde naar liefde in mijn leven, maar er is één constante: muziek. Ik kan bepaalde muziek missen zoals je een goede vriend mist. Waar veel mensen al precies weten welke Nederlandse “lekkernijen” ze gaan eten als ze terug zijn van vakantie, weet ik precies welke muziek ik als eerst zal luisteren. Dat is trouwens niet alleen na een vakantie, het kan ook na het wegbrengen van de vuilnis zijn. Fijn weer terug bij m’n geliefden.

Geliefden die me blij of melancholisch maken, mij in vervoering brengen en die me als een tijdmachine in een halve seconde een dag of jaren terug in de tijd kunnen brengen. Geliefden die heel graag met me willen dansen en ik met hun, die me aansporen harder te rennen of die me vertellen dat ik het allemaal helemaal zo gek niet doe. Of soms juist dat ik het allemaal wel heel gek doe, maar ook die muziek is af en toe welkom.

Op welk type ik val is geen pijl te trekken. Ik ga met electro en pop, met jazz, klassiek en rock. Er is vrij weinig muziek waar ik helemaal niets in zie, zelfs van iets enorm gezapigs als The Alan Parsons Project kan ik nog wegzweven (heb genade, ik vind dat ik wel wat credits verdien voor deze gênante biecht).

Toch ga ik na dat Parsons Project ter compensatie nu m’n oren spoelen met Rammstein. Of een van m’n allergrootste liefdes Radiohead? Of die andere grote liefde Trentemøller? Er zijn te veel mooie mannen muziekjes! Gelukkig hoef ik niet te kiezen. Van muziek mag ik zo polygaam zijn als ik wil.

Verslaafd

23 jul

Ik leg de krant op mijn toetsenbord zodat ik niets kan typen en ik dwing mezelf hem te lezen. Dat zegt misschien wat over hoe interessant de krant is, maar dat terzijde.

Daar klinkt hij al, het zeurende stemmetje van het internet. “Kom Nicole, kom je kijken wat er allemaal nog te ontdekken is?” “Nee internet, ik lees de krant. Ik wil even niet verdwalen in je gangen en trappenhuizen en vage achterkamertjes.”

Ik lees vijf nieuwsberichten en neem een slok koffie. “Oh, zou dinges al teruggemaild hebben?” vraag ik me af en bijna schuif ik de krant al weg om het te kunnen checken. “Nee! Lees.” Ik blader verder en lees.

“Er mag wel muziek bij” vind ik, dus ik open Spotify want misschien heeft iemand me nog een nummertje gestuurd. En inderdaad, eentje van Agoria. “Wat een lekker liedje, dat moeten meer mensen kennen!” denk ik en flop, krant aan de kant en ik open Twitter.com waar ik een link naar het nummer plak.

“Even snel kijken of iemand iets tegen me heeft gezegd op Twitter” denk ik voor ik de krant weer wil pakken. “Hm, en als ik nu toch het toetsenbord vrij heb, check ik heel snel even m’n mail. Heb ik dat maar vast gedaan, ga ik daarna verder met de krant.”

“Nou, nu dan ook meteen maar even langs Facebook”, ga ik daarna door. Terwijl ik de statusupdates op Facebook bekijk denk ik “Dat Agoria is wel echt geinige muziek! Even vlug kijken wat Last.fm erover zegt. Oh, nu ik toch op Last.fm zit: eens kijken welke bandjes de site mij nog aanraadt.”

De bands of dj’s die interessant klinken zoek ik meteen even op in Spotify. Een kwartier lang ben ik verzonken in de nummertjes alsof ik door de platen in een platenzaak snuffel.
Als ik weer een slok van m’n koffie neem is die koud. In de krant lees ik daarna hooguit nog één of twee stukken.

Als ik niet oplet, gaat het zo de hele dag door. Ik vlieg van hot naar her over het internet en surf er uren m’n neus achterna. Iemand op Twitter, de radio of in de krant praat over iets interessants of ik herinner mij zelf iets dat ik wilde opzoeken en floep: ik open een scherm om het te Googlen. Als ik dat heb uitgezocht, komt er weer iets nieuws voorbij om op te zoeken.

Kom ik in de zoektocht naar iemand om te bellen voor een stuk een vaag woord als ‘biomimicry‘ tegen dan zoek ik voor ik het weet niet meer naar die persoon, maar ben ik beland in manieren om problemen op te lossen door inspiratie uit de natuur te halen. Of ik zit ineens tussen alle gerechten met bleekselderij op ah.nl. Of tussen alle wielrenners die ooit zijn overleden tijdens de Tour. Of in de Livestong T-shirtjes collectie.

Damn you, vervelende-aan-me-trekkende magneet van een internet! Je bent vaak boeiend, heel vaak ook niet, maar hoe dan walgelijk verslavend.

Beziggehouden

22 jul

Ik heb de applicaties voor Facebook en Twitter van m’n iPhone verwijderd, omdat ik hoopte dat ik dan weer eens zou lezen. Maar in plaats daarvan Twitter en Facebook ik nu langs een omweg: met de mobiele sites. Zo ben ik dubbel slecht af, want 1) ik lees nog steeds te weinig en 2) de mobiele websites van Twitter en Facebook werken heel onhandig.

Toch blijf ik het zo doen, misschien als straf voor m’n suffe verslaving aan de sites. (Misschien is dit vrouwenlogica, als je de vorige zin niet begrijpt)

Ik Facebookte weer eens op de mobiele site en ik zag de automatisch ingestelde tekst “Wat houd je bezig?” staan in het venster waarin je typt wat je bezighoudt. “Wat houd??”, dacht ik. “Daar hoort toch een ‘t’ achter?” En omdat het me bezighield tikte ik “Die ontbrekende ‘t’ houdt mij bezig” in het venster.

Er kwamen reacties op, mensen legden uit dat het klopt zonder ‘t’. Ze gaven er de grammaticale regels bij. Vriend M. vertelde dat je bij twijfel het werkwoord ‘lopen’ moet gebruiken.
Maar ik zeg al jaren “Je loopt de cake uit de oven”-achtige zinnen om te horen of er een ‘t’ staat. Ook nu had ik de looptruc uitgehaald en ik hoorde een ‘t’.

Dus ik schreef: “Je zou toch ook zeggen “wat loopT je bezig?”. Vriend M. reageerde als door een wesp gestoken. “Natuurlijk is het niet wat houdt je bezig!”, zei hij “het is toch de ik-vorm!” En hij gaf weer een rits grammaticale uitlegsels.
Maar ze veranderden mijn mening niet, ik wist dat ik gelijk had en dat vertelde ik hem.

Vriend M. werd nog bozer “Nee je hebt ABSOLUUT ongelijk!” En weer kwam hij met voorbeeldzinnen, zoals “Wat loop je hier? en dus niet ‘Wat loopT je hier?”.

Ineens bedacht ik dat Facebook en hij de zin anders lazen dan ik. Zij lazen hem als “Wat doe je hier?”. Dan zou er inderdaad geen ‘t’ achter komen. Terwijl ik de zin las als “Wat wekt je interesse?”. Met ‘t’!

Vriend M. en ik werden het niet eens, maar we begroeven de strijdbijl. Tot hij een paar uur later weer reageerde:
“Ik denk er nog even over na en je hebt toch gelijk! ‘Bezighouden’ is een wederkerig of reflectief werkwoord wat altijd met mij, hem, zich gecombineerd moet worden. “Wat houdT mij bezig.” Dacht je wilt vast wel horen dat je toch gelijk hebt…”

Inderdaad. Het zinnetje had ons zo’n 12 uur beziggehouden.